Nieuws

 

Nieuwe methode voor bromaat conform NEN-EN-ISO 11206

Sinds 1 oktober is Het Waterlaboratorium overgaan naar een nieuwe (geaccrediteerde) methode voor het meten van bromaat. Deze nieuwe methode is conform NEN-EN-ISO 11206: 2013 (Water – Bepaling van opgelost bromaat – Methode met ion chromatografie (IC) en post kolom reactie (IC-PCR)).

Bromaat is mogelijk carcinogeen voor de mens en kan ontstaan als oppervlakte- of rioolwater wordt gezuiverd met behulp van ozon. Ozon zorgt ervoor dat resten van geneesmiddelen en andere chemische stoffen worden afgebroken. Echter wanneer er bromide in het water zit kan dit door ozon worden omgezet in bromaat. Aangezien bromide van nature voorkomt in het oppervlaktewater en ozon steeds meer gebruikt wordt in het zuiveringsproces is het voor de klanten van Het Waterlaboratorium belangrijk dat wij een robuuste methode met een lage rapportagegrens voor het analyseren op bromaat in huis hebben.

Conform de norm!

Onze oude methode was gebaseerd op de norm NEN-EN-ISO 15061 welke dateert uit 2001. Deze methode week op een aantal punten echter af van de norm; zo werd de overmaat ozon verwijderd met een sulfietoplossing in plaats van ethyleendiamine waarvan de dosering op basis van praktijkonderzoek was geoptimaliseerd.

De nieuwe methode is conform NEN-EN-ISO 11206 en wijkt dus op geen enkele wijze af van de norm.

Oude methode

Bij de oude meetmethode werd bromaat bepaald door na preconcentrering het monster te scheiden m.b.v. ionchromatografie. De detectie vond plaats d.m.v. meting van het geleidingsvermogen. Het monster werd geconcentreerd op een materiaal dat geladen groepen bevat. In het monster aanwezig chloride en sulfaat kunnen de preconcentrering van bromaat hinderen door verdringing. Ook kunnen deze ionen storen bij de scheiding en detectie. Daarom werd het monster eerst voorbehandeld om chloride en sulfaat te verwijderen. Als controle werd ook detectie d.m.v. een UV-detector uitgevoerd. De afwijking voor het bromaat gehalte, gemeten via de geleidings-detectie, mag niet meer dan 20 % afwijken van het gehalte, gemeten via UV-detectie. Indien dit wel het geval was, werd het resultaat gerapporteerd als “indicatief”.

Nieuwe methode

Bij de nieuwe meetmethode wordt bromaat ook gescheiden m.b.v. ionchromatografie. De detectie vindt echter plaats door na de scheiding een reactiereagens toe te voegen dat iodide bevat. Het iodide reageert met bromaat onder vorming van tri-iodide, dat spectrofotometrisch bepaald wordt bij een golflengte van 352 nm. Omdat de detectie via een specifieke reactie van bromaat plaatsvindt, hoeft er in de meeste gevallen geen verwijdering van chloride en sulfaat te worden uitgevoerd en is ook geen preconcentrering van het monster nodig.

Vergelijking Prestatiekenmerken oude en nieuwe methode

In de onderstaande tabel staan de prestatiekenmerken van beide methodes ter vergelijking.

 

 

 

 

 

Uit deze gegevens volgt dat de prestatiekenmerken van beide meetmethoden vergelijkbaar zijn met het belangrijkste verschil dat vanwege de andere manier van detecteren de rapportagegrens verlaagd wordt van 0,5 µg/l naar 0,1 µg/l.

Storende componenten in de nieuwe methode

Ionen als chloride en sulfaat storen de nieuwe analyse normaliter niet. Wel moeten monsters met een hoge geleidbaarheid verdund worden gemeten, omdat deze ionen anders  het aantal beschikbare plaatsen op de ionenwisselingskolom kunnen verzadigen en op deze wijze de analyse verstoren.

Er zijn twee  storende componenten:

Ozon dat nog aanwezig is in het monster kan de vorming van bromaat in het monster nog doen toenemen in de periode tussen monstername en analyse. Wanneer verwacht kan worden, dat een monster nog aanzienlijke hoeveelheden ozon bevat, bv in een processtap, moet de nog aanwezige ozon bij de monstername geneutraliseerd worden met sulfiet.

Ook andere oxidatoren kunnen het reagens iodide  omzetten in tri-iodide. Zo blijkt de aanwezigheid van waterstofperoxide in het monster een stoorpiek in het chromatogram te geven, die de piek voor bromaat volledig maskeert. Wanneer dit gesignaleerd wordt, moet de bepaling gedaan worden na behandeling van het monster met catalase. Dit kan direct na aankomst op het lab uitgevoerd worden.

Hoe gaan wij om met onbekende (RWZI) monsters

Bij het aanmelden van Bromaat opdrachten wordt in principe aangegeven om welke matrix het gaat. RWZI monsters worden altijd gefiltreerd i.v.m. storende zwevende deeltjes. Dit gebeurt met een voorbehandeling van 3 filters in sequentie.

Bij de oude methode hebben RWZI monsters veel storende factoren en hierdoor vaak een verhoogde analysegrens door verdunning en vaak een indicatief resultaat omdat de waarde niet geverifieerd kan worden in UV gebied (wat bij normale monsters wel kan). Daarnaast moeten RWZI monsters vaak worden verdund omdat de algemene geleidbaarheid van de monsters erg hoog is. Om de monster überhaupt te kunnen meten moeten we onder de 1100 µS zitten anders overbelasten we de kolom. Dit is ook een verklaring voor de verhoogde rapportage grenzen die HWL af en toe rapporteert.

We streven echter naar een zo laag mogelijke verdunning; we meten de geleidbaarheid en de verdunningen wordt zodanig ingezet dat de geleidbaarheid onder de 1100 µS uitkomt. We verdunnen bijvoorbeeld niet zomaar 100 keer, maar proberen de grootte van de verdunning te beperken tot dat wat echt nodig is waardoor de verhoging van de RG minimaal is.

Verwachtingen prestatie nieuwe methode met RWZI monsters

Zoals het er nu naar uitziet is de nieuwe methode een stuk minder gevoelig voor verontreinigingen door een hele specifieke oxidatie stap.

We denken dat het ook goed is om te melden dat wanneer er problemen zijn met de analyse, i.v.m. bijvoorbeeld extreme matrix invloeden, de analyseafdeling altijd contact opneemt met de waterkwaliteitsadviseurs. Zij zullen zo nodig met de klant contact opnemen voor aanvullende vragen en afspraken maken over eventuele vervolgstappen.

 

Nog vragen? Neem gerust contact op met één van onze adviseurs. Zij helpen u graag verder.